van Veerman tot Fanfare

Succesvol was de tentoonstelling "van Veerman tot Fanfare", die aandacht besteedde aan de vele harmonie- en fanfareorkesten die de stad Utrecht gekend heeft. Het museum mocht van verschillende bezoekers fraaie muziekinstrumenten ontvangen; ieder met hun eigen verhaal. Bent U geïnteresseerd  in de bijzondere geschiedenis van veel van deze orkesten; het museum heeft een uitgebreide digitale collectie verhalen en afbeeldingen over dit onderwerp.

Inleidende tentoonstellingstekst:

  • Utrecht: “Stad der Serenades”

  • De Schutterij

Het begin van de blaasmuziek in groepsverband begint bij het leger. De in 1795 opgerichte Utrechtse Schutterij had meteen bij haar oprichting een muziekafdeling: het corps der Dienstdoende Schutterij. Dit corps verzorgde meer dan een eeuw lang concerten in de verschillende muziektenten die de stad rijk was. Beroemd waren de zogenaamde “Volksconcerten”, die in de zomer vrijwel wekelijks in het park Tivoli gegeven werden. In 1907 werd de Schutterij en daarbij het muziekcorps opgeheven.

  • Beschavingsoffensief

Vanaf 1880 ontstaan er burgerlijke orkesten. Deze zijn meestal op initiatief van de gegoede burgerij ontstaan. De ‘gewone man’ moest cultuur bijgebracht worden en daartoe leenden de blaasorkesten zich uitstekend. Vooraanstaande burgers, zoals de familie van Beuningen, zorgden voor de financiering van de dure instrumenten, voor de aanschaf van uniformen en bladmuziek. Velen werden ‘eere-voorzitter’ van een muziekvereniging en werden daarvoor door de orkesten jaarlijks geëerd met een serenade, waarbij na afloop de fles “eere-wijn” werd opengetrokken…

  • Een explosie

In het begin van de 20e eeuw gaven de militaire orkesten in Utrecht nog wel de toon aan: corpsen van in Utrecht gelegerde legereenheden, zoals de genie en de artillerie. Maar langzamerhand verschenen er meer en meer andere orkesten op straat. Iedere ‘zuil’ kende op een gegeven ogenblik één of meer eigen orkesten: de socialistische Arbeidersmuziekvereeniging “Voorwaarts”, het Rooms-katholieke “Sint Caecilia” en de Christelijke muziekvereeniging “de Bazuin”, bijvoorbeeld. Voor het broodnodige zieleheil zorgde het corps van het Leger des Heils dat op vrijwel elke straathoek speelde. De katholieken en gereformeerden hadden hun eigen evangelisatieorkesten. Bedrijven richtten hun eigen corpsen op met als voorbeelden: de “Korenschoofharmonie”, de “UMI” (Utrechtsche Melk Inrichting) en de corpsen van de machinefabrieken “Jaffa” en “Frans Smulders”. Vierde een werknemer zijn zoveeljarig jubileum, dan trok het corps erop uit om de jubilaris een serenade te brengen. Ook de talloze buurtverenigingen die de stad kende, vormden onderafdelingen die de muziek toegewijd waren, met fraaie namen als “Oranje-Nassau”, “de Vervulling van Oranje Boven” en “Klein maar Dapper”. Honderden en nog eens honderden muzikanten, gewone Utrechtenaren die zich in hun schaarse vrije tijd suf oefenden, bliezen hun partijtje mee. In de periode 1880-1980 zijn tot nu toe zo’n honderd verschillende orkesten bekend!

  • Begin van het einde

In de Tweede Wereldoorlog doken de orkesten letterlijk onder: muziekinstrumenten werden bij de leden thuis verborgen uit angst voor inbeslagname. De bevrijding zorgde voor een felle opleving. Straatorkesten, zoals “Utrechts Stadskapel” en de “Gebr. van Olderen & Co” trokken van feest naar feest. Het blaasmuziekleven bloeide. Maar donkere wolken begonnen zich samen te pakken. De toenemende vrije tijd, de introductie van de televisie en de weekeinden op de camping betekenden uiteindelijk het einde voor veel verenigingen. Een inventarisatie van de amateurkunst in Utrecht uit 1979 levert nog maar zeven “ha-fa-bra”-orkesten op. Daar is de laatste dertig jaar geen verbetering in gekomen. De serenades die tientallen jaren in de stad geklonken hebben zijn verstomd…

© VBM Wijk C 2009