Het Utrechtsche Stalen Buismeubel

De HOPMI

De veelbewogen geschiedenis van deze fabriek – de Hollandsche Patent Metaal Industrie – begon met de technicus Klaas de Vries Cz., die in 1917 aan de Biltstraat 150 een fabriek oprichtte om door hem gepatenteerde rijwielsloten te gaan fabriceren. Dat ging met vallen en opstaan.

Het ‘klokslot’ echter werd een groot succes. Het bestond uit een U-vormige beugel met aan de uiteinden twee klokvormige combinatiesloten met een unieke code. Het was een van de eerste deugdelijke fietssloten op de Nederlandse markt. Vanaf de jaren twintig ging de fabriek ook andere fietsonderdelen produceren, zoals bagagedragers, achterlichtjes, zadels en opvouwbare sturen.

Inmiddels was de fabriek verhuisd via de Wolvenstraat naar de Jan Meijenstraat 50-52 in Wijk C. Daar betrok de HOPMI in 1921 het pand van de stoomgrofsmederij Hörmann, die vertrokken was naar de rand van de stad. In 1924 werd de naam veranderd van HOPMI in de N.V. Metaal Industrie “Het Klokslot” en kreeg de fabriek een nieuwe eigenaar in de persoon van Willem van Laar, die samen met zijn broer een handel in ijzerwaren aan de Catharijnesingel dreef.

Snel ging de zaak failliet, maar in april 1925 maakte de fabriek een doorstart onder de naam Slotenfabriek HOPMI, die in 1929 in een NV werd omgezet. In de jaren ’30 maakte de fabriek in samenwerking met de UMS enige jaren lang stalen buismeubelen, inspelend op de moderne woontrend in die dagen. In de oorlog moest de joodse eigenaar van Laar onderduiken en droeg hij de dagelijkse leiding over aan de heer J. Herber, die na de oorlog directeur werd.

Na de oorlog profiteerde de HOPMI van de grote vraag naar rijwielen en rijwielonderdelen in Nederland, maar vooral in Nederlands-Indië. Er kwam een grote export van rijwielonderdelen op gang. Het bedrijfskapitaal werd in 1948 verdubbeld; het aantal personeelsleden steeg van 30 naar ruim 100 en het fabriekscomplex werd vergroot. Kloksloten maakte men niet meer, deze werden verdrongen door de goedkopere en eenvoudiger te maken ringsloten. Voor het Nederlandse leger produceerde men hangslotjes die de militairen gebruikten op hun plunjezak en hun persoonlijke kastjes.

Vanaf 1953 nam de vraag naar HOPMI-producten sterk af, de export naar Indonesië viel weg en het leger betrok de slotjes voortaan uit Italië. Eind jaren ’50 besloot directeur Herber om met de fabriek uit Wijk C te vertrekken. Er waren verregaande plannen voor verdere sanering van de wijk en de bereikbaarheid verslechterde. Uiteindelijk werd het fabriekspand verkocht aan V&D, die het als opslagruimte gebruikte. Het complex is in 1968 gesloopt.

In 1959 verhuisde de fabriek naar een nieuw fabrieksgebouw in Woudenberg. Personeelsleden uit Utrecht, die graag bij de fabriek wilden blijven werken, werden met een Volkswagenbusje vervoerd. Het ging de HOPMI daar niet voor de wind; het bedrijfskapitaal raakte uitgeput en in 1960 fuseerde de fabriek met Inventum uit Bilthoven. De productie van rijwielonderdelen kwam geleidelijk te vervallen en uiteindelijk werd de fabriek te Woudenberg in 1972 verkocht. De productie vond voortaan plaats in de Inventum-vestigingen te Bilthoven en Wolvega. De HOPMI bleef als lege BV voortbestaan...

Bron:  Herbert Kuner ‘De Hollandsche Patent Metaalindustrie’

Het Utrechtsche Stalen Buismeubel

Eind jaren ’20, begin jaren ‘30 van de vorige eeuw ontstond er een ware rage na de introductie van een compleet nieuw meubel, gemaakt uit gebogen metalen buis. De gemiddelde huiskamer stond toentertijd vol met zware houten meubelen. Daar moest volgens verschillende bevlogen ontwerpers verandering in komen.

Een van eerste ontwerpers die zijn naam aan een metalen stoel wist te verbinden was Mart Stam (1899-1986). In 1926 maakte hij in zijn atelier in Rotterdam een frame van gasbuis en fittingen; voor zitting en rugleuning gebruikte hij lapjes stof. Het revolutionaire van het ontwerp was dat de stoel niet op vier poten stond, maar dat het een ‘achterpootloze, vrijzwevende’ stoel was. Veel vooraanstaande architecten en meubelmakers in binnen- en buitenland gingen zich bezighouden met het ontwerpen van nieuwe modellen.

Een groot bijkomend voordeel van de stalen buismeubelen zou moeten zijn dat ze seriematig, dus goedkoper, gemaakt zouden kunnen gaan worden en dus bereikbaar werden voor de ‘gewone man’. Zover is het echter nooit gekomen; de gewone man liet de stoel links liggen; het was en bleef een meubel voor de ‘happy few’. Er is waarschijnlijk geen Wijk C-er geweest die een stalen buismeubel in huis heeft gehad!

Voor een kwalitatief goed meubel, dat niet meteen doorroestte, waren diverse bewerkingen nodig. In de fabriek werden de buizen op maat gezaagd en vervolgens ‘koud’ gebogen met behulp van een buigbank. Als het geraamte gereed was, ging het naar de slijperij. Vervolgens bracht men diverse nikkel- en koperlagen op de buis aan, waarbij na elke bewerking het metaal opnieuw gepolijst en ontvet moest worden. Uiteindelijk werd de eigenlijke chroomlaag aangebracht. Een intensief productieproces.

Al deze ontwikkelingen leken zich buiten Utrecht om af te spelen, maar zie: het is september 1932 en er is een “stalen tak aan houten stam” gegroeid! De Utrechtsche Machinale Stoel- en Meubelfabriek (UMS) brengt enkele stalen buismeubelen ter beurze, naar ontwerp van o.a. de architect H.F. Mertens. De ontwerptekeningen voor zijn stoelen zijn bewaard gebleven. De stalen frames werden gemaakt door de HOPMI. Werkmeester Tulp van de HOPMI wordt vermeld als medeontwerper van de stoelen; op zijn naam staat het octrooi dat verleend is op de zogenaamde ‘torpedomoer’. De meubelen waren demontabel en konden met behulp van deze moeren in elkaar gezet worden. Een uniek concept – de IKEA ver vooruit – dat voor zover bekend nooit door andere fabrieken is gekopieerd. De UMS verzorgde de zittingen en armleuningen.

Vanaf 1934 bracht de HOPMI de stalen meubelen onder eigen naam uit. Niet alleen stoelen, maar ook barkrukken, bioscoop- en autobusstoelen, passpiegels, schoolmeubilair, etc. Rond deze tijd ontwierp de wereldberoemde Utrechtse architect-meubelmaker Gerrit Rietveld (1888-1964) een stoel voor de HOPMI, die in 2009 in het bezit kwam van het Centraal Museum.

De stalen buismeubel rage raakte in de loop van de jaren ’30 uitgewoed. De HOPMI is waarschijnlijk al voor de oorlog gestopt met het maken van stalen buismeubelen; het octrooi op de ‘torpedomoer’ werd namelijk in 1937 ‘vervallen’ verklaard.

Toch is het bijzonder dat een fietsonderdelenfabriek uit Wijk C zich enige jaren bewogen heeft op de stalen buismeubelmarkt...